Verdeel de klas in vier groepen.
Groep 1. Je bent onderzoeker bij de raad voor de kinderbescherming en brengt rapport uit over de minderjarige verdachte. Beschrijf de achtergrond van de verdachte: hoe doet deze het op school? ;wat voor vrienden heeft hij? ;heeft hij een goed relatie met zijn ouders?; wat voor hobby's heeft hij? e.d. Je adviseert de officier van justitie wat er met de verdachte moet gebeuren en geeft je rapport aan de rechtbank en de advocaat. Tijdens de zitting beantwoord je vragen van de rechter.
Groep 2. Bereid je voor op de rol van de officier van justitie. Lees het nepdossier en het advies van de raad voor de kinderbescherming goed door en bespreek dit in de groep. Wat is er gebeurd en wie is de schudige? Schrijf een ten laste legging en motiveer waarom jij vindt dat de verdachte schuldig is aan het ten laste gelegde. Aan het eind van de zitting houd je een requisitoir. Je zet alle feiten nog eens op een rijtje en bepaalt de strafeis. Zorg dat je alles goed en duidelijk formuleert.
Groep 4. Je bent de advocaat van de verdachte. Je verdiept je in het strafdossier en het verslag van de raad voor de kinderbescherming. Je schrijft een ontlastend pleidooi en motiveert waarom jij vindt dat de verdachte niet schudig is aan het ten lasten gelegde.
Groep 3. Je bent de rechter. Je leest het nepdossier en het verslag van de Raad voor de Kinderbescherming. Je bereidt vragen voor die je aan de verdachte en de raad van de kinderbescherming wilt stellen, om een goed beeld te krijgen van wat er is gebeurt. Je luistert tijdens de zitting goed naar de ten lasten legging. Na de zitting eis je op basis van wat je hebt gehoord het vonnis. Dit kan een werkstraf of leerstarf zijn, een geldboete, gevangenistraf of vrijspraak.

De officier van justitie klaagt de verdachte aan. Hij doet dit namens ons allemaal. Wanneer hij spreekt gaat hij staan (staande magistratuur). Hij begint de zitting met het voorlezen van de ten laste legging en eindigt met de strafeis.
Wanneer er een ernstig delict op zitting staat dan zijn er drie rechters (meervoudige kamer). Bij minder enstige feiten is dat er één (enkelvoudige kamer). De rechter stelt vragen aan de verdachte en aan eventuele getuigen. Wanneer hij genoeg weet over de zaak wordt de zitting gesloten. Daarna trekt de rechtbank zich terug. De uitspraak volgt twee weken later.
De verdachte zit in de beklaagdenbank, recht voor de rechter. De verdachte wordt tijdens de zitting ondervraagd door de rechter en krijgt ook de mogelijkheid om zijn kant van de zaak toe te lichten
De advocaat verdedigt de belangen van de verdachte. Hij kan bijvoorbeeld aanvoeren dat zijn client per ongeluk de fout in is gegaan of dat de verdachte is aangezet door anderen. Aan het eind van de zitting houdt hij een pleidooi voor de verdachte.
De griffier houdt nauwkeurig bij wat er door de verschillende partijen gezegd wordt. De griffier maakt een verslag van de zitting en helpt de rechter bij het schrijven van het vonnis.
Dit is de kamer waar de meervoudige kamer na de zitting bijeenkomt om de zaak te bespreken en om tot een vonnis te komen.
Een zaak tegen een miniderjarige verdachte is meestal niet openbaar. Naast de rechter, de officier van justitie, de advocaat, en de griffier zijn de raad voor de kinderbescherming en de ouders van de verdachte aanwezig.